Baan opgezegd

Gerelateerde afbeeldingIk ga jullie een geheim verklappen. Twee maanden geleden ben ik gestopt met mijn baan. Het was een maandagochtend en ik kwam rond 9 uur op kantoor. Ik sleepte mezelf, zoals elke morgen, eerst naar de kantine voor het eerste kopje koffie van de dag. Er was niemand in de kantine – dat scheelde in ieder geval weer. Ik pakte een mok uit het keukenkastje en liep naar de koffiezetapparaat die in de vensterbank stond. Terwijl ik naar buiten keek schonk ik de vers gezette koffie in. Ik zag een groepje studenten voorbij fietsen. Even verderop waren twee stratenmakers bezig met het slepen van tegels. Een stadsbus reed voorbij. Aan de overkant, misschien net 30 meter tegenover het kantoor waar ik werkte, zag ik de appartementen van de Oostersingel. In één van de appartementen kon ik precies in de woonkamer kijken. Het was een ruime, modern ingerichte woonkamer. Ik zag een eettafel met daarop alleen een opengeklapte laptop, in de hoek zag ik iets van een houten baby box en in het midden van de kamer stond een lage salontafel van steigerhout. Door de ramen van de woonkamer heen zag ik een smalle, lange achtertuin. De tuin was leeg en niets erin bewoog. Het was stil. Helemaal achterin zag ik iets wat leek op een tuinhuisje of fietsenschuur. Ik zag mezelf nu in deze tuin staan. Misschien met een sigaretje tussen mijn lippen. Kijkend naar de lucht boven mij, fantaseren wat er zich achter die helderblauwe hemel bevond. Kon iets of iemand mij vanaf daar nu zien of was ik echt alleen? Kopje koffie in mijn linkerhand. Om mij heen is het muisstil. Ik neem een trekje van de Camel, vervolgens een flinke slok koffie. Ik kijk naar het tuinhuisje. De warme mok voelt prettig aan mijn koude vingers. Terwijl ik de rook uitblaas zou ik me om kunnen draaien. Ik kijk dan door de ramen van de woonkamer naar buiten. Daar in het kantoorpand aan de overkant zou ik een felverlichte ruimte zien. Ik zie de lelijke TL-buizen aan het plafond en iets van een koffiezetapparaat in de vensterbank. Naast het koffiezetapparaat zou ik een man zien met een bijzonder mooi kapsel. Waarschijnlijk had deze man een zogenaamde ‘good hair day’. Dat was absoluut iets om jaloers op te zijn. Maar dat geldt niet voor de positie van waar de man zich nu in bevind. Dat concludeer ik door wat ik zie, nu ik hier in de tuin sta met mijn koffie en sigaretje. De man kijkt bedroefd. Een gevalletje van Monday Morning Blues schat ik zo. Ik zie vanuit de tuin een andere man de ruimte binnenlopen.
Opeens hoor ik iemand achter mij. Het felle licht van de TL-buizen boven mij stoort mij. Nors groet ik mijn collega terug die de kantine al is uitgelopen, op weg naar zijn werkplek. Ik kijk nog even in de woonkamer aan de overkant. Niets veranderd, nog even stil. Ik neem een slokje van de koffie. Waar ik nu ben wil ik niet zijn. Ik was weer flink aan het dagdromen. Dat gebeurt steeds vaker. Soms zelfs tijdens een overleg op het werk of tijdens een telefoongesprek – hups, ben ik zomaar verzonken in een vage dagdroom. Dan hoor ik ergens in de verte: ‘Michel, waar ben je? Gaat het wel goed?’. Ik knipper met mij ogen en opeens ben ik weer bij. Tja, dat hevige dagdromen van mij. Ik krijg daar wel medicijnen voor maar het oncontroleerbare gefantaseer lijkt alleen maar toe te nemen – waar ik overigens totaal geen moeite mee heb. Sterker nog, ik slik nu minstens het vijfvoudige van wat mij door de specialist is voorgeschreven. De creativiteit neemt er alleen mee van toe. Aan de buitenkant lijk ik alles onder controle te hebben, maar in de ruimte tussen mijn oren leef ik één grote fantasiewereld die ik steeds moeilijker kan loslaten.
En daar, op dat moment in tijd, waar ik met mijn kopje koffie in de kantine abrupt werd verstoord door een collega, wist ik wat mij te doen stond. Ik moest hier gewoon weg! Weg uit deze omgeving. Ja, deze omgeving, en vooral wat ik hier deed, was funest voor mijn creativiteit. De werkdag bestond uit een oneindige lus van technische problemen die moest zien op te lossen. Okay, ik was er aardig bedreven in, vooral het vastbijten in problemen, het analyseren van de details en het herleiden naar de oorzaak. Het werk had iets verslavends maar tegelijk was het volledig doordrongen van een eindeloze zinloosheid – tenminste, volgens mijn gevoel (en die is toch wel in alles leidend in mijn leven). Waarom deed ik mezelf dit aan? Mijn levensdoel was toch om te schrijven? Hiervoor moest ik alle ruimte hebben om te kunnen fantaseren. En zo, dames en heren, kwam het dat ik vervolgens de koffie door de gootsteen goot, de mok op het keukenblad smeet en resoluut het kantoor uitliep – nee, holde, om nooit weer te keren. Om 09.20 was ik weer thuis. We zijn nu bijna twee maanden verder.
Natuurlijk had ik al gauw een probleem: hoe kwam ik nu aan geld? Had ik toch weer te impulsief gehandeld? De huur moest betaald worden, het gas, licht, stroom, het abonnement van de sportschool, mijn abonnementen op tijdschriften zoals de Viva, Playboy, Autoweek, Donald Duck, Katrien Duck (die bestaat ook), Happinez, Psychologie Magazine, Quest, Hitkrant, Hoefslag, Ipad Magazine, JAN Special, Beau Monde, CHIP, Cosmopolitan, Classic Cars, L’HOMO, Libelle, Tina, Men’s Health, Truckstar, Top Gear Special, Computer!Totaal, Voetbal Inside, VOGUE Nederland, Veronica Magazine, Vrij Nederland, Muscle & Fitness, National Geographic Historia, National Geographic Traveler, WebWereld, Computer Idee, Nieuwe Revue, Ouder van Nu (mocht ik hopelijk wel ooit vader worden, sta ik tenminste mijn mannetje), Zeilen (hekel aan water maar misschien veranderd dat nog), YOGA Magazin, VT Wonen, Grazia, GOAL!, Formule 1, Flow, Esquire, Eigen Huis & Interieur, Golf Journaal, 101 Woonideeën, Kijk, Know How en de Panorama. Ook de abonnementen op een aantal kranten waren mij heilig, zoals Het Financiële Dagblad, Algemeen Dagblad, Het Parool, De Telegraaf, Trouw, Nederlands Dagblad, NRC Dagblad, Dagblad van het Noorden,  Groninger Courant, USA Today, The New York Times, Daily News, Washington Post, New York Post, Boston Herald, Guardian, Telegraph, The Sun en niet te vergeten de Groninger Gezinsbode (telt eigenlijk niet mee want die is gratis). Ik ploeterde mij dan wel suf op het bedenken van rare verhaaltjes maar geen hond die mij er ook maar een cent voor gaf. Een paar dagen later leek ik de oplossing te hebben. Mijn baas was inmiddels opgehouden mij te bellen. Wim – de baas van mijn baas, stond hier zelfs voor de deur (maar ik deed de deur niet open, zelf niet toen hij op de deur bleef bonzen en mijn naam riep). In ieder geval, de oplossing voor mijn tekort aan geld is het gehandel in kinderfietsen. Het idee hiervoor is ontstaan door een fenomeen in de stad Groningen. Misschien tref je het ook wel aan in Leiden, Utrecht of andere studentensteden in Nederland. Hoe het ook zij, hier in Groningen bestaat het in ieder geval wel. In 2013 verhuisde ik naar de stad Groningen en pas de zomer erop viel het mij op: Het merendeel van Chinese studenten hier in Groningen fietst op kinderfietsen. Dit is geen grap, het is echt waar! Ik heb nooit gevraagd naar de reden maar ik neem aan dat de lengte hier mee te maken heeft – hoewel de Aziatische medemens volgens mij niet heel veel kleiner is dan wij Westerlingen. In ieder geval, ik zag hier direct handel in. Tweedehands kinderfietsen koop ik op via Marktplaats en verkoop ze door aan Chinese studenten met ten minste 50% winst. In het begin deelde ik flyers uit in de Universiteitsbibliotheek aan 1e jaars studenten uit China. Tegenwoordig heb ik genoeg aan mond-op-mond reclame. Gemiddeld heb ik nu zo’n 2 Chinese studenten per dag hier voor de deur staan. Hoewel ik nu meer vrije tijd heb en mijn vorige werkgever opgehouden is om contact te zoeken, heb ik mezelf er nog toe kunnen zetten om veel te schrijven. Maar het begin is er. Ik hou jullie op de hoogte.

Wolfgang Buhnemann, Mauro Solla, Janet Nieuwold-Oldenburger, Gritty Van Beilen-van Kalker, Richard de Goede, Marjan Addens, Anja Tolner, Johnny Seven, Ra Chel Lebel, Sylvia Laffra, Petra Schut, Mieke Brinkhuizen vonden dit bericht leuk

Faces Look Ugly

people are strange lyrics | TumblrHet is zaterdagmiddag half 2 en ik heb aan alle verplichtingen voldaan; sporten, boodschappen en het schoonmaken van mijn kleine huisje. Ik voel me te onrustig om de rest van de dag met een kopje groene thee en een boek op het balkon te zitten. De gedachte komt in mij op om naar de binnenstad te gaan. Beetje door het centrum van Groningen rondlopen en wie weet valt daar mijn oog op een leuke vrouw. En wie weet spreek ik haar wel aan, wie weet loopt dat uit op een heftige liefdesrelatie. Met mijn fantasie is niks mis, dat klopt. Maar ik weet ook dat leuke vrouwen niet spontaan bij mij aanbellen. Dus het wordt vanmiddag de binnenstad. Tegelijk voelt dit idee ongemakkelijk: in mijn eentje slenterend door de Herestraat, stiekem hopend dat ik die ene leuke vrouw zal treffen. Want dat laatste is de werkelijke reden dat ik straks op de fiets naar de binnenstad ga. In mijn eentje tussen mensen die elkaar al hebben. Mijn eenzaamheid jaagt mij de straat op. Verdomme, waar ben ik mee bezig? Het zesde en laatste boek van Karl Ove Knausgård’s ‘Mijn Strijd‘ serie heb ik bijna uit, nog een kleine 100 bladzijden te gaan. Maar ik voel met te onrustig om dat boek van Knausgård vanmiddag uit te lezen. Ik wil iets doen maar tegelijk voel ik een mengeling van onrust en schaamte vanwege mijn alleen-zijn.
Nee, het idee om naar de binnenstad te gaan zit nou eenmaal in kop en wat ik hierbij denk en voel is niet van belang. Vrouwen die ik wel zie zitten, bellen niet spontaan aan om zich aan te bieden. Ik zal er dus wel werk van moeten maken, ook al voel ik schaamte omdat ik actief op zoek ga naar wat ik wil. Schaamte…. Rationeel gezien onterecht – dat is schaamte volgens mij altijd, maar ik voel het nu eenmaal.
Een belangrijke factor die bepalend is voor de mate van zelfvertrouwen is mijn kapsel. Vind ik mijn haar vreselijk zitten dan is mijn zelfvertrouwen ook echt ver te zoeken. Maar heb ik een perfecte haardag, wauw, dan kan ik de hele wereld aan! Ik loop naar de badkamer, doe het licht aan en zie in de spiegel mijn hoofd tot aan het bovenlichaam. Ik bekijk mezelf kritisch. De zijkanten zijn weer iets te lang. Bovenop zit het wel goed. De verhouding gel en de Hanz de Fuko Claymation wax is perfect. Door de combinatie van gel en wax heeft mijn kapsel geen ‘wetlook’ maar wel voldoende ‘hold’. Ik zie de ronding van mijn schouderspieren. Ik herinner mezelf eraan om straks niet te snel fietsen omdat ik wind tegen heb; harde wind is ‘killing’ voor een kapsel dat perfect zit. Voor even kan dit geen kwaad maar het ritje naar de binnenstad op de fiets duurt zo’n dikke 10 minuten. Ik bestudeer mijn gezicht. Mijn gezicht is nog bruin van het weekje Macedonië. Verder geen kladjes in mijn ogen, pulkjes of haartjes die uit mijn neus steken of etensresten tussen mijn tanden. De spiegel toont geen fotomodel, maar met het totaalplaatje is niks mis.
Ik loop naar de kamer en gris mijn sleutels, pasjes en mobiel van de tafel en stop alles in de broekzakken van de korte broek die ik aan heb. Ik probeer na te gaan of ik nog moet plassen. Mijn blaas drukt een beetje en ik twijfel of ik nog even snel naar de wc zal gaan of niet. Ik sla mezelf voor m’n kop als ik straks in de binnenstad ben en merk dat ik toch nodig moet pissen. Zwaar irritant. Dus ongeduldig sta ik even later te plassen. Ik was mijn handen en kijk voor de laatste keer in de spiegel. Haar, check. Gezicht, check. Gebit, check. Ik ben er klaar voor. Een paar minuten later zit ik op de fiets en voel de wind tegen mijn kuif drukken. Ik voel irritatie opkomen. Waarom doe ik dit? Waarom kan ik niet gewoon Knausgård’s boek uitlezen? Mijn leven gaat toch ook prima alleen?
Ik voel afstand en irritatie tot de mensen die ik onderweg zie. Iedereen is een onbekende voor mij en niemand maakt oogcontact met mij. Conclusie: charisma heb ik niet. Had ik dat wel, dan zouden mensen ook oogcontact zoeken. Ik weet dat deze conclusie rammelt, maar het is mijn gevoel. Is het belangrijk dat mensen mij zien staan, dat er oogcontact met mij wordt gezocht? Is het misschien niet belangrijker wat ik van mezelf vind en wat ik van andere mensen wil? Deze gedachte voelt ‘waar’ en ik weet dat het klopt. Charismatische mensen willen niets van andere mensen. Mensen met charisma zijn onafhankelijk, sociaal autonoom, zelfstandig. Dat kan ik ook zijn. Iemand die niets nodig heeft, iemand met charisma. Ik besef dat ik weer van alles in mijn hoofd haal. Verslaafd aan het excessief denken over sociaal gedrag, wat dingen betekenen, afzonderlijk of in een context. Nadenken kan een kracht zijn, maar ook een zwakte. Het is eigenlijk niets meer dan een goed klinkend verhaaltje dat alleen in mijn hoofd bestaat. Goede communicatie betekent ruimte. Het verstand zou zich niet in deze ruimte moeten bevinden.
Ik fiets de brug over die de Oude Ebbingestraat met de Nieuwe Ebbingestraat verbindt. De lucht is bijna zonder wolken en de temperatuur ligt rond 25 graden. Ik voel even een koude windvlaag over mij heen blazen op het moment dat ik bijna de brug over ben. Koude lucht is goed voor mijn kapsel dus het deert mij niet echt. Mijn stemming en zelfvertrouwen is toegenomen, merk ik. Een paar minuten later stal ik mijn fiets in de fietsenrek naast de V&D. Mijn fiets zet ik niet op slot. Sinds ik in de stad woon doe ik dat nooit. Een soort experiment om te kijken hoe lang het duurt voordat ik mijn fiets kwijt ben. Tot nu toe kom ik met dit idiote experiment al drie jaar weg.
Even later loop ik over de Grote Markt. Ik bedenk dat ik wel iets van een doel moet hebben, een valide reden waarom ik in de stad ben. Ik weet wat de echte reden is, maar wat als iemand mij hier naar vraagt? Nee, ik moet dus iets kopen, ook al is maar iets kleins. Dat is mijn zogenaamde reden dat ik in de stad ben. Iets zegt mij dat dit een verkeerd uitgangspunt is, dat dit mij niet authentiek maakt. Waarom kan ik niet eerlijk zijn? Ik voel opnieuw schaamte en ergens diep in mij woelt een neerslachtig gevoel. Dat is de waarheid. Ik zit in mijn hoofd en voel me onzeker. Dat is de waarheid. Ik voel schaamte voor wat ik wil en wat ik ben. Dat is de waarheid. Ik wou dat ik de moed had om vanuit dat gevoel te leven, de wereld tegemoet te treden. Ik besluit om gewoon te gaan lopen, maakt niet uit waarheen. Met het vele denken kom ik nergens. Lopen, lopen, lopen. Kijken, ruiken, voelen maar vooral niet denken. Gewoon blijven lopen tot het gevoel veranderd. Vanuit het niets moet ik opeens denken aan ‘People Are Strange’ van The Doors:

People are strange when you’re a stranger
Faces look ugly when you’re alone
Women seem wicked when you’re unwanted
Streets are uneven when you’re down.

Dit geeft precies weer hoe ik me nu voel. De mensen om mij heen komen lelijk, afstandelijk en haast intimiderend op mij over. Is dit misschien hoe ik eigenlijk naar mijn innerlijke wereld kijk? Is de uiterlijke wereld een weergave van mijn innerlijke wereld? Ik blijf doorlopen terwijl die laatste gedachte in mijn hoofd blijft hangen. Ik blijf lopen en lopen. Door de Herestraat, over het Zuiderdiep, daarna sla ik linksaf de Oosterstraat in. Aan het eind van de Oosterstraat merk ik dat ik mij beter voel. Ik loop langs de terrasjes en voel niet langer schaamte voor wie ik ben. Dit is wie ik ben, dit is wat ik voel. Wat als al die mensen in meer of mindere mate dezelfde sociale angsten en onzekerheden zouden hebben? Iedereen wil geaccepteerd worden maar tegelijk is daar die angst die ons influistert dat dit niet zal gebeuren. Mijn sociale angsten zijn niet inherent aan wie ik ben. Nee, het gaat verder dan dat. Het is inherent aan het mens-zijn. Ieder mens voelt zich weleens heel alleen. Dat zijn we ook, maar tegelijkertijd weer niet. Dan is het opeens stil in mijn hoofd. Ik voel rust.
Even later loop ik een boekenwinkel binnen. Ik kom altijd graag in boekenwinkels. De schoonheid van een boekenwinkel ligt verborgen in de boeken die er liggen, dat wat je op het eerste gezicht niet ziet. Hier en daar pak ik een boek met uitnodigende omslag of waarvan de naam van de auteur mij een belletje doet rinkelen. Er valt zoveel te ontdekken in een boekenwinkel. Ik hoef maar twee keer door een kledingwinkel te lopen om te weten wat er te halen valt.
Opeens valt mijn oog op een blondine. Ze staat een paar meter van mij af en bekijkt de boeken die dicht op elkaar uitgestald liggen op een lage tafel. Mijn criteria is eenvoudig: als ik iets voel in mijn onderbuik is dat een teken dat ik iets moet doen. Het gevoel in mijn onderbuik is lust. Mijn lichaam reageert op de hare. Lust is de enige waarheid van waar ik op kan vertrouwen. Dat is het enige gevoel wat er nu is. Andere gevoelens dienen zich misschien later aan. Maar voor nu is er alleen een prettig gevoel in mijn onderbuik. Ik moet de neiging onderdrukken om te analyseren wat het gevoel precies is, waar het vandaan komt. Is het echt lust of maak ik mezelf iets wijs? Voel ik eigenlijk wel iets? Of wil ik dat het er is? Ik kijk naar haar. Ze loopt naar het volgende tafeltje met boeken. Ze is niet bijzonder knap en maar een paar jonger dan mij. Ik probeer bijzonderheden aan haar uiterlijk te ontdekken. Ik ontdek een ring, maar die zit om haar middelvinger en niet om haar ringvinger. Opeens voel ik de zenuwen door mijn onderbuik en ballen trekken. Mijn keel drukt zich dicht en even krijg ik geen adem. Fuck, ik voel echte angst. Ik vertel mezelf dat ik dit normaal is. Ik heb eerder vanuit dit gevoel een vrouw aangesproken. Als de vrouw mijn angst ziet zal het me zelfs helpen aangezien ze zich ook zal beseffen dat ik de angst trotseer. Ze loopt weer verder. Ergens weet ik dat ze mij al heeft ontdekt, sowieso al op een onbewust niveau. Vrouwen voelen dit aan. Niet te lang wachten, het moet straks niet ongemakkelijk worden. Opeens loopt ze naar de kassa en staat ze in de rij. Voor haar staan mensen en naast haar staat ook een rij. Dit betekent toeschouwers wanneer ik haar aanspreek.

Danielle Nieuwold, Wolfgang Buhnemann, Andreas Bühnemann, Remco de Hoop, Janet Nieuwold-Oldenburger, Anja Tolner, Sigrid Hoekstra, Gritty Van Beilen-van Kalker, Martijn Ridderbos, Petra Schut vonden dit bericht leuk

Dochter

prinses

Gistermiddag rond een uur of vier stak ik op mijn fiets de Plantsoenbrug over – de brug die de Westersingel verbindt met de Wilhelminakade, en fietste het Noorderplantsoen in. Even ervoor had ik bij een koffiespeciaalzaak aan de Westerhaven een zogenoemde French Press gekocht, een simpel apparaat waarmee je op de meest eenvoudige wijze koffie kunt zetten. Het was een zachte, warme en bijna wolkeloze dag in augustus. Op het wandelpad aan de rechterkant liepen een man en een jong meisje mij tegemoet. De man schatte ik op eind dertig, had een knap gezicht en was netjes en formeel gekleed: duur en glad gestreken overhemd, een donkerblauwe spijkerbroek met daaronder mooie lichtbruine schoenen. Wellicht was het een jurist of econoom. Het jonge meisje was, naar wat ik aannam, zijn dochter. Ze was niet ouder dan zeven jaar, leek erg in haar nopjes te zijn en genoot van de natuur om haar heen. De man daarentegen leek zich amper bewust van wat er om zich heen afspeelde. De twee herinnerden me aan een gemis in mijn leven. Ik sloeg halverwege het plantsoen linksaf de Kerklaan in. De ketting van fiets begon even te kraken doordat ik extra krachtig begon te trappen. Even verderop zag ik café De Bres en dacht erover na om in mijn eentje een biertje te drinken op het terras. De man en zijn dochtertje bleven in mijn gedachten hangen. Voor hem was het hebben van een dochter misschien de normaalste zaak van de wereld. Voor mij was dit het hoogst haalbare in mijn wereld. Ik fantaseerde vaak over het hebben van een klein dochtertje – vooral op die momenten dat ik een vader en dochter samen zag. In mijn fantasie is mijn dochter het kleine prinsesje en ben ik haar koning; een wijze man die vanuit onvoorwaardelijke liefde alles voor haar doet. Hij, de koning, doet ook alles wat in zijn macht ligt om haar te beschermen tegen al het kwade in de wereld. Uiteraard wordt het prinsesje hierbij dan ook ontzettend door haar enige koning verwend. Deze fantasie is vreselijk geromantiseerd en staat ver af van de realiteit, maar zo zit het nou eenmaal in mijn kop. Op die momenten vergeet ik het irritante gehuil van baby’s, poepluiers, chronisch slaaptekort, opstandig gedrag en de aandacht die kleine kinderen van hun ouders eisen. Van meerdere ouders heb ik persoonlijk horen zeggen dat het hebben van kinderen absoluut geen zaligheid is. Maar dat is als veertiger kinderloos en alleenstaand door het leven gaan nou ook niet bepaald, concludeer ik dan al gauw. Ik fantaseer soms over het moment dat ik mijn eigen vlees en bloed voor het eerst in mijn armen hou. Dat moment voelt heel dichtbij en staat tegelijk ontzettend ver van mij af. Onvoorwaardelijke liefde is iets dat ervaren moet worden, niet beschreven of meegevoeld. Het besef dat ik dit misschien nooit voor het ‘echie’ zal ervaren doet teveel pijn om te kunnen negeren.
Ik fietste door de Kerklaan en reed voorbij de kapperszaak waar ik een paar weken eerder nog mijn haar had laten knippen. Dat was eenmalig. Sinds die ene keer laat ik me gewoon weer knippen door Janet van kapsalon Kapsoones. Aan het eind van de Kerklaan fietste ik onder het viaduct door en sloeg linksaf de Dierenriemstraat in. Ik probeerde mijn kinderwens te doorgronden – met name het hebben van een dochter. Waarom liever dochters dan zoons? En was mijn kinderwens nou meer biologisch of meer psychologisch van aard? Had ik te maken met een sterk evolutionair instinct die mij iets duidelijk wilde maken of kwam het voort uit een gevoel van eenzaamheid? Hoe diep ik ook inging op deze vragen, ik kreeg er nooit echt een goed antwoord op. Misschien hield ik me weer bezig met vragen waarop een bevredigend antwoord nooit gevonden kan worden.

Wolfgang Buhnemann, Gritty Van Beilen-van Kalker, Petra Schut vonden dit bericht leuk

De plant (deel 7)

yin_yang_seedLaatst werd ik door een lezer van deze blog aangesproken. ‘He, Michel,’ begon deze persoon. ‘Hoe zit dat nu met die plant? Je schrijft wel verhalen maar de meeste maak je nooit af. Vreselijk irritant, om eerlijk te zijn. En gaat het nou echt om een plant of was het metaforisch bedoelt? Ja, toch? Het gaat toch om de liefde? Werkte het alweer niet? Verdorie zeg!’
Daar werd ik mij even voor het blok gezet. Waarom schreef ik er dan ook over? De plant en ik. Er ontstond iets moois, iets dat misschien voorbestemd was. Maar de spiegel der herkenning leek vooral onze pijn en angst te reflecteren. Deze reflectie was bijzonder scherp, uiteindelijk te scherp om te kunnen verdragen. Het zaadje was ontkiemt maar kreeg inmiddels geen ruimte meer. Ontspanning werd spanning, het vrije werd het verstikkende en vertrouwen maakte plaats voor twijfel en onzekerheid. De toekomst wankelde en stortte uiteindelijk in. Zoiets dan. Het leven ging verder.
Ik zit nu in een hotel en heb bar weinig zicht op de zaken thuis. Dit hotel ken ik goed, ik ben er namelijk eerder geweest. Met het uitzicht op de buitenwereld is het wel triest gesteld en ook over de kamers ben ik niet te spreken. De muren zijn donker en hard, de ramen laten weinig licht door en zover ik weet ben ik hier de enige gast. Vorige keer was dat ook al zo. Een regelrechte kwelling en dit keer voelt het niet anders. Ik zit nu op mijn hotelkamer en tuur naar de grauwheid daarbuiten. Een beetje op mijn dooie gemak de omgeving verkennen zit er niet in – dat staat de directie van dit hotel niet toe. Klagen helpt geen zier. Sterker nog, hoe meer ik klaag, des te harder de directie zich naar mij opstelt. Die lui zijn ook zoveel slimmer dan ik; die gasten lullen mij met alle gemak onder tafel. Ik kan daar niet tegenop. Praten, praten en nog eens praten. Discussies tot diep in de nacht, net zo lang tot ik het opgeef en gedwee hun realiteit de mijne maak. Die gevechten kan ik niet winnen. Ik zit vast. Helaas vermoed dat ik langer in het hotel moet blijven dan ik er trek in heb. Stiekem uitchecken via de achterdeur of een kelderraampje is mogelijk, maar die optie verdient geen schoonheidsprijs. Voorlopig blijf ik maar wat rondhangen op mijn kamertje en kijk ik door het kleine raampje naar de buitenwereld.

Anja Tolner, Wolfgang Buhnemann vonden dit bericht leuk

De plant (deel 6)

yin_yang_seedIk kom thuis na een dag op kantoor. Mijn jas gooi ik over de stoel en loop naar de bloempot op het dressoir. Het zaadje is nog steeds niet ontkiemt. Soms kom ik thuis in eenzaamheid. Dit voelt als een soort onrust in mijn hoofd; je zou het onrustige zenuwen kunnen noemen. Ik zit op de bank met de afstandsbediening naast mij terwijl ik wacht op iets. Waarop ik wacht, geen flauw idee. Even verderop ligt mijn mobieltje. Sommige echte mannen nemen een koud biertje na het werk. Ze zien dit als een beloning op een harde dag werken. Of een manier om het scherpe randje van die dag eraf te halen. Eén of twee biertjes is voldoende om dit te bewerkstelligen. Mijn plezier haal ik uit het mezelf ontzeggen van bepaalde geneugten van het leven. Dit geeft mij een gevoel van controle, denk ik. Alcohol, nicotine, drugs; het gebruik ervan is een vlucht. Behalve sporten. Nee wacht, ook het gezeul met die gewichten moet ik misschien wel rekenen tot vluchtgedrag. Maar dit geldt dan ook voor lezen en schrijven. Vooral dat laatste is misschien wel mijn grootste vlucht van de werkelijkheid, van de verstikkende eenzaamheid en onrustige zenuwen in mijn hoofd. Telkens pak ik mijn mobieltje om te kijken hoe laat het is. Mijn vrije avond voelt als het uitzitten van de tijd. Waar wacht ik op? Op de nieuwe werkdag van morgen? Op iedere gedachte om iets nuttigs te ondernemen volgt een dikke soep van lusteloosheid die ik maar over mij heen laat komen. Tegelijk is daar de koortsachtige drang in mijn lichaam om de tijd sneller voorbij te laten gaan. Ik pak weer mijn mobieltje. Er is niets waar ik naar kan toe leven; geen vakantie, leuk feest of spannend afspraakje. Leven is wachten. Ik kan niet wachten tot het zover is. Wat is dan het ‘zover’? Wat ik wil is de tijd stil zetten. Ik stel het mezelf voor dat ik de wereld om mij heen stil zet. Alles om mij heen is nu volledig bewegingsloos. Mensen op straat staan stil, de auto’s, fietsers, de wolken en ook de vogels in de lucht zijn als bevroren. In deze bewegingsloze wereld heerst een absolute stilte. De stilte is misschien wel het meest overweldigende van alles. De tijdloze tijd kan een eeuwigheid duren als ik dat wil. In dit moment kan ik alles doen zonder dat het mij tijd kost; eindelijk heb ik alle tijd in de wereld! Maar ik voel nu nog steeds die onrust in mijn lichaam en de eenzaamheid is nu onbeschrijfelijk eng. Dan besef ik het: wat ik wil is bevrijding, verlossing. Ik streef naar tijdloosheid in mijzelf. De tijd van de wereld om mij heen mag gerust doorgaan – dat maakt mij helemaal niets uit, zolang ik het tijdloze in mezelf maar kan ervaren. Ik sta op en loop naar de dressoir en kijk in de bloempot. Nog steeds niets. Ik besluit om maar wat muziek te luisteren, een geneugte van het leven die ik mezelf wel toesta.
De laatste tijd luister ik de godganse dag naar eighties popmuziek en herontdek ik de nummers die ik als prepuber geweldig vond. Ik luister nu totaal anders naar die nummers dan als 10-jarige. Uiteraard komt dit deels doordat ik als prepuber de Engels taal amper beheerste. Buiten dit feit om – had ik Engelstalige liedjes wel kunnen verstaan, ik was op die leeftijd gewoon te nat achter de oren om de diepte van sommige songteksten te kunnen bevatten. Iedere keer dat ik naar de mooie ogen van Susanna Hoffs keek en haar kinderlijke meisjesstem hoorde, zingend over een eeuwigdurende vlam, voelde ik een heerlijke warmte in mijn onderbuik tintelen. Wat waren haar ogen toch mooi! Waar Susanna inhoudelijk over zong interesseerde mij geen biet. Daar was ik sowieso te jong voor. Het merendeel van de popsongs uit dat decennium gingen over de schoonheid of de pijn van het leven – voornamelijk het laatste, en dan met name het verlies van de liefde. Van verlies in zijn algemeenheid, daar had ik als 10-jarige gelukkig nog geen flauw benul van.

Sylvia Laffra, Wolfgang Buhnemann vonden dit bericht leuk

De plant (deel 5)

yin_yang_seedTwee dagen later zat ik in de kappersstoel. Het was voor mij allang duidelijk dat deze zaak veel meer moeite moest doen om nieuwe klanten te trekken dan Kapsoones. De voornaamste reden hiervoor is de locatie; waar Kapsoones in de binnenstad is gevestigd, zit deze kapsalon in een rustig zijstraatje van het Noorderplantsoen. Vanzelfsprekend dat het niet echt storm loopt. Dit was denk ik ook de reden dat de eigenaresse zich wel bijzonder belangstellend naar mij opstelde. Ik wist onmiddellijk dat dit meer voortkwam vanuit de behoefte tot klantenbinding dan oprechte interesse in mij als persoon. Maar misschien zit ik er naast en doe ik haar ware bedoelingen onrecht aan. Hoe het ook zij, ik nam plaats in de kappersstoel en voelde mij eigenlijk direct ongemakkelijk. Niet vanwege de zorgen om het uiteindelijke resultaat van de knipbeurt of het feit dat ik zweette als een otter. Nee, de ruimte tussen mij en haar, die ik voor dat moment nodig had om me op mijn gemak te voelen, ontbrak in zijn geheel. Deze ruimte werd opgevuld door haar allesoverheersende belangstelling die ik als bijzonder drukkend ervoer. Zoals het in mijn aard besloten ligt, wilde ik eerst de kat uit de boom kijken en deze situatie in alle rust laten ontvouwen. Teuten over koetjes en kalfjes om hiermee voorzichtig een bodem te leggen voor misschien een diepgaander gesprek, dat idee zeg maar. Tot dat punt kwam het niet eens: binnen een paar minuten vroeg zij namelijk of ik kindjes had. Kindjes? Mijn god, waar kwam die vraag opeens vandaan? Deze vraag sloeg mij compleet uit het veld. Waarom stelde zij deze nogal intieme, directe vraag aan iemand die niet kende? Stel nu dat ik een kindje had verloren, wat dan? Hoe had ik dan op haar vraag moeten antwoorden? Bij een eerlijk antwoord zou ik wel een behoorlijk zware stempel drukken op mijn eerste bezoek, toch? Nu heb ik geen kinderen verloren maar er is wel een kinderwens. Ze walste met haar vraag over gevoeligheden heen die ik op dat moment, vanwege de afwezigheid van een persoonlijke band, niet prijs kon geven. Ik gaf op nonchalante toon als antwoord dat ik geen kinderen had. Van binnen verharde ik. Had zij gemerkt dat er meer achter mijn antwoord zat? Het leek mij van niet. Haar vraag deed mij pijn en ik merkte dat ik hierdoor op mijn hoede was. Ik wilde snappen waarom zij die vraag stelde. Wat zat erachter? Het liet mij maar niet los. Even later kwam het besef tot mij: het nadenken over het gedrag van de ander staat een diep contact in de weg. Effectief en prettig communiceren is het nadenken loslaten. Ik liet deze laatste gedachte even bezinken en voelde diep van binnen dat dit een waarheid was. Dit gaf mij vertrouwen, maar kon ik dit inzicht nu ook in daden omzetten? Kon ik mijn oordelen over haar laten gaan? Bij ongemak trek ik mij vaak terug in mijn hoofd om vanaf die plek de beweegreden van de ander te kunnen begrijpen. Dat ligt als introvert in mijn aard. Hoe ik mijzelf hierin veranderen? Was dit natuur of aangeleerd gedrag? Terwijl ik lang en breed zat te prakkiseren over het loslaten van het doodvermoeiende en eindeloze geneuzel in mijn hoofd, merkte ik ondertussen dat de kapster geforceerd (ook weer een oordeel) nadacht over een volgende vraag om het gesprek gaande houden. Verdomme, dit moet anders! Ik besloot het roer om te gooien.
‘Trouwens, even tussen neus en lippen door: Hoe is jouw seksleven?’ vroeg ik haar zo nonchalant mogelijk. Ze stopte onmiddellijk met knippen. Ik zag dat ze van haar stuk was gebracht; die zag ze niet aankomen. Opeens begon ze uit ongemak te lachen. Ik lachte met haar mee. Even later stopte ik met lachen maar bleef vriendelijk oogcontact met haar houden. Ze wilde nu het liefst wegkijken. Het ongemak op haar gezicht, het besef dat ze nu weet dat het menens is, gaf mij een voldaan gevoel. Een ruime 5 seconden hield ik het oogcontact met haar vast zonder iets tegen haar te zeggen.
‘Je vertelde dat je een kindje hebt. Nu weet ik niet hoe oud jouw kindje is, maar ik heb eens gelezen dat het libido van vrouwen flink daalt na het krijgen van kinderen. Is dat bij jou ook het geval?’ Ongemakkelijk keek ze voor hulp naar iemand die er niet was, eerst naar links en daarna naar rechts. De kapster stamelde iets wat ik niet kon verstaan. Ik bleef kalm en wachtte opnieuw een paar seconden.
‘Volgens mij vindt je deze vraag te persoonlijk, of niet?’ vroeg ik met een warme glimlach. ‘Wees gerust, het antwoord interesseert mij niet. Ik wilde alleen een punt maken,’ zei ik. Ze was inmiddels in flinke verwarring.
‘Punt? Hoe bedoel je?‘, vroeg ze.
‘Ok, zonder klanten kan jou kapsalon niet bestaan. Heel simpel, je hebt klanten nodig, toch? Ik weet dat je daarom een goede band met jouw klanten wilt opbouwen. Dat klopt, ja? ‘
‘Ja,‘ antwoorde ze.
‘En je doet het goed: je bent heel vriendelijk, spontaan en open. Ik heb gemerkt dat jij je vak ook goed verstaat. Daarnaast heb je een mooie zaak en de prijzen die jij vraagt liggen onder de markt. Deze dingen maakt het voor mij meer dan voldoende: een volgende knipbeurt laat ik dus ook weer door jou doen. Nu even terug mijn ‘gekke’ vraag. Deze vraag was absoluut grensoverschrijdend en ongepast. Ik snap heel goed dat het ongemak bij jou opriep. Misschien voelde jij zelfs onveilig. Dat laatste was niet mijn bedoeling. Wat ik wel wilde, is jou iets duidelijk maken,‘ zei ik. Ze knikte en luisterde aandachtig naar wat ik te zeggen had.
‘Jij stelde mij, om een reden die ik niet ken, een vraag die volgens de sociale normen niet grensoverschrijdend is, maar waarmee je wel persoonlijke gevoeligheden naar boven bracht. Met die vraag kwam je als vreemdeling – want dat zijn we van elkaar – voor mijn gevoel veel te dichtbij. Over deze gevoeligheden kan ik niet spreken omdat hiervoor nog te weinig wederzijds vertrouwen bestaat. Misschien komt dat nog, misschien ook niet. Hoe dan ook, omdat we elkaar niet kennen vroeg de situatie om een veilig gesprek over koetjes en kalfjes. Natuurlijk, je had nooit kunnen weten welke onderwerpen gevoelig liggen bij mij. Daarom ben ik ook van mening dat je voorzichtig moet zijn met het stellen van persoonlijke vragen. Dat is het punt die ik met mijn vraag wilde maken,’. Ik stopte met praten en keek haar aan. Ook zij was stil. Ik wilde haar niet kwetsen, ik sprak enkel vanuit mijn hart.
‘Ok Michel, ik snap nu wat je bedoelt en je hebt gelijk. Sorry, ik had die vraag niet moeten stellen. In ieder geval niet zonder elkaar echt te kennen,’ zei ze.
‘Zitten we nu op 1 lijn?’ vroeg ik op luchtige toon.
‘Haha, ja, we zitten nu op dezelfde golflengte,’ antwoorde ze. Ze ging verder met haar werk. Even later keek ze op en we hielden een paar seconden zwijgend oogcontact. Ik voelde een connectie met haar. We begrepen elkaar.

Richard de Goede, Wolfgang Buhnemann, Sandra Schut, Denise Otter, Rolinka Struik, Petra Schut, Anja Tolner, Gritty Van Beilen-van Kalker, Johnny Seven, Ra Chel Lebel vonden dit bericht leuk

De plant (deel 4)

yin_yang_seedVoor de zoveelste keer in mijn leven ben ik weer eens tot het besef gekomen dat nadenken voornamelijk een zinloze bezigheid is. Ik heb het dan vooral over gedachten die betrekking hebben op het leven, mijzelf en andere mensen. Op die momenten stuit ik soms op de meest wilde theorieën en fantastische inzichten waar ik eigenlijk geen zak aan heb. Dit besef schoot gisteren door mijn hoofd terwijl ik in de stoel bij de kapper zat. Sinds jaar en dag laat ik mijn haar knippen bij kapsalon Kapsoones aan het Zuiderdiep. Een leuke hippe zaak met vreselijk aardige mensen die precies weten waar ze mee bezig zijn. Ik heb mijn eigen vaste Kapsoones-kapster (Janet) die inmiddels precies weet hoe ik mijn haar geknipt wil hebben. Toch kon ik het niet laten: gisteren ben ik namelijk vreemd gegaan door mijn haar te laten knippen bij een andere kapsalon. Op de route naar het werk, die ik fietsend afleg, kom ik altijd langs een kleine kapsalon. Iedere keer dat ik langs deze zaak fietste, gluurde ik vlug naar binnen om te peilen wat voor kapsalon het was. Mijn nieuwsgierigheid groeide met elke dag. Nooit durfde ik die salon te betreden – gevoed door de irrationele angst dat ik mij over zou laten halen door een overenthousiaste kapper om ter plekke mijn haar te laten knippen. Ik hoef ook niet naar binnen, hield ik mezelf voor, ik heb immers Janet van Kapsoones. Toch bleef deze nieuwe kapperszaak aan mij trekken. Wat als deze kapster (ik wist inmiddels dat er geen mannelijke kappers werkten) mijn haar nog beter konden stylen dan Janet? Tegelijk was ik als de dood dat een onbekende kapper mijn haar zou verkloten. Drie dagen geleden maakte ik alsnog vrij onverwacht de ‘overstap’. Ik kwam van mijn werk en fietste even later door de straat waar die kapsalon zit. De gedachte kwam spontaan in mij op om juist vandaag naar binnen te gaan voor het maken van een afspraak – het was de laatste werkdag van deze week, dus misschien dat het hierdoor kwam. Ik werd zenuwachtig en voelde opeens mijn ballen kriebelen. Zou ik het doen? Terwijl ik langzaam door de straat fietste bleef ik toch twijfelen. Wat als? Ik dacht zo hard na over de voors en tegens dat ik vlekken voor mijn ogen begon te zien. Kon ik niet beter thuis eerst even rustig nadenken waar die twijfel toch vandaan kwam? Er zat vast weer een hele bijzondere, diepgaande theorie achter die misschien wel de moeite waard was om te ontdekken. Natuurlijk was ook dit weer typisch uitstelgedrag; ik fietste dan ook doodleuk die kapperszaak voorbij! Voor een rechtsomkeert was het nu te laat. Toch? Fuck, ik durfde het gewoon niet. Wat moest ik doen? Ik fietste maar snel door en baalde enorm van deze hele situatie. Aan het eind van straat stopte ik midden op de weg. Verdomme! Het gaat toch alleen om het knippen van mijn haar en niet om een parachutesprong? Jezus, wat was ik nou voor een mietje? Als ik dit niet doe, blijft het aan mij vreten. Ik moet gewoon terug. Even later stapte ik de kapsalon binnen. De zenuwen gierden door mijn keel, mijn kloten zaten in mijn onderbuik en ik wist ternauwernood iets uit mijn mond te persen wat meer leek op een soort gepiep dan een normale groet. Mijn god, wat had ik toch weer eens last van al die angst! En toch, nog geen drie minuten later stond ik weer buiten met een heuse afspraak voor een knipbeurt. Ik voelde me opeens een hele held in plaats van de dwaas even ervoor! Jezus, wat wist ik het leven soms erg moeilijk te maken.

Jolanda Brouwer, Agnes Brink, Martijn Ridderbos, Ra Chel Lebel, Petra Schut vonden dit bericht leuk

De plant (deel 3)

yin_yang_seedHet is nu de negende dag en het zaadje is nog steeds niet ontkiemt. Ik denk te weten hoe dit komt. Vanmorgen besefte ik dat mijn houding ten opzichte van het zaadje weleens invloed zou kunnen hebben op de ontwikkeling ervan. Ik heb ooit eens iets gelezen over een onderzoek naar de beïnvloeding van menselijke emoties op de groei van planten. Het blijkt dat de biochemische processen van planten meetbaar vertraagd kunnen worden door erop te schelden (of juist te stimuleren door lief te praten). Vanuit deze gedachte is het best mogelijk dat mijn gevoelens van frustratie de ontkieming van het zaadje in de weg staat. Deze notie raakt mij. De ontwikkeling van het zaadje staat niet op zichzelf; naast de elementaire behoeften is er nog een factor die invloed uitoefent op het zaadje: mijn emoties. Wie had dit kunnen denken! Heel, heel heel heel ontzettend graag wil ik de oorsprong van mijn frustraties bij het zaadje leggen… maar het lukt mij niet om mijzelf hiervan te overtuigen. Ik denk dat ik het wederom bij mezelf moet zoeken. Fuck… Maar wacht, laat ik nu eerst even gaan lezen over andere zaken zodat ik later kan nadenken wie of wat nu echt verantwoordelijk is voor mijn frustraties – en hiermee de mogelijke remming op de ontkieming van het zaadje in de bloempot. Wie weet ligt het allemaal veel gecompliceerder dan het op eerste gezicht lijkt. Misschien hebben mijn emoties totaal geen invloed op het zaadje.
Ik trek de encyclopedie uit de kast en pak het hoofdstuk over het zaadje erbij. Op de eerste bladzijde van het hoofdstuk lees ik het volgende:
‘De eigenaar moet proberen om aan unieke voorwaarden te voldoen om het zaadje te kunnen laten ontkiemen. Wat betreft deze unieke voorwaarden, daar is het volgende over te zeggen. Tot op de dag van vandaag wordt een wereldwijde discussie gevoerd, door zowel vooraanstaande academici als amateurbotanisten, wat deze voorwaarden nu precies inhouden. Uit deze discussie is in ieder geval één ding duidelijk: er lijkt geen eenduidige aanpak te bestaan om het zaadje te kunnen ontkiemen. Het komt veelvuldig voor dat de aanpak van botanist A om het zaadje te laten ontkiemen, een hele andere uitwerking heeft bij botanist B. Deze deviaties zijn in de regel zo groot dat geen enkele botanist er chocola van kan maken. De botanische wereld – van amateur tot wetenschapper – tast zogezegd volledig in het duister wat betreft de ontkieming van dit bijzondere zaad. Elk zaadje van deze bijzondere plantsoort lijkt zijn eigen individuele voorwaarden te stellen aan de aanpak van zijn of haar eigenaar. Vanwege dit gegeven zijn veel botanisten van mening dat dit zaadje bijzonder moeilijk is om te laten ontkiemen, om maar niet te spreken van het volledig uit laten groeien tot een volwassen plant. Laat u zich hierdoor niet ontmoedigen! Er zijn namelijk andere kenners die sterk van mening zijn dat alleen met het geven van veel liefde, het tonen van begrip en het bewaren van kalmte, de ontkieming van het zaadje teweeg zullen brengen. Opmerkelijk is dat deze laatste groep voornamelijk uit toegewijde mensen bestaat die niet over een botanische of biologische graad beschikken. De lezer is naar ons inziens vrij om hieruit af te leiden dat u misschien meer heeft aan algehele toewijding, intuïtie en een simpele boerenwijsheid dan diepgaande theoretische kennis over de flora op onze planeet.’
Dit verrast mij en ik weet eigenlijk niet of ik het wel helemaal begrijp. Ik hoopte op een helder antwoord, een kant-en-klare oplossing voor een duidelijk probleem. Blijkbaar bestaat er volgens de encyclopedie geen vastomlijnd stappenplan om het zaadje te laten ontkiemen. Dit houdt in dat ik met meer moet komen dan alleen een analytische benadering van een zaadje dat maar niet wil ontkiemen. Opeens realiseer ik me dat, zover ik kan nagaan, het zaadje eigenlijk helemaal geen probleem heeft. Misschien moet ik proberen om een beetje afstand te nemen, het zaadje wat tijd gunnen en niet als een dolle proberen de boel te fiksen met water en gewroet in de potgrond. Nee, dat gefrustreerde gedoe helpt mij niet echt. Had ik dit ook niet eerder bedacht?
De daarop volgende dagen vulde ik bewust mijn vrije tijd met andere zaken die ook mijn aandacht verdienden. Ik werkte eindelijk mijn administratie weer een beetje bij, hield een grote voorjaarsschoonmaak en bezocht familie en vrienden. Zonder het te merken liet ik het zaadje in de pot met elke dag wat meer en meer los. Als ik de woonkamer was zag ik de pot op het dressoir niet. Het zaadje zat niet langer in mijn kop.

Richard de Goede, Danielle Nieuwold vonden dit bericht leuk

De plant (deel 2)

yin_yang_seedIk ben vroeg wakker. Buiten is het nog stil. Enige wat ik hoor zijn een paar irritante duiven op het balkon. Ik draai me zachtjes om en ga op mijn buik liggen. Het ligt nogal ongerieflijk maar ik verroer me niet. Ik weet dat de slaap toch niet meer komt; het lichaam is klaarwakker, wil in beweging komen en mijn verdomde hoofd draait alweer op volle toeren. Zou het zaadje al zijn ontkiemt? Ik til mijn hoofd traagjes op, draai het naar links en laat de andere kant van mijn gezicht op het kussen rusten. Het heeft echt geen nut om te blijven liggen. Even later sta ik in mijn ondergoed bij de dressoir in de woonkamer en kijk in de bloempot. Ik zie geen verandering ten opzichte van gisteren. Een lichte teleurstelling. Waarom deze teleurstelling? Ik heb het zaadje toch pas één dag? Beter is om mijn verwachting bij te stellen. Beter is om de foto’s van de botanische encyclopedie te vergeten. Deze foto’s zijn niet mijn huidige werkelijkheid. Het is nu wat het is. De aarde in pot lijkt me wel wat droog. Misschien beter om niet alweer water te geven. Ik loop naar de wc om te plassen en kruip even later weer in bed. Het is stil. De duiven die eerder nog op mijn balkon koerden (zo schijnt dat te heten) zijn blijkbaar weggevlogen. Ergens in de verte hoor ik de eerste auto’s van deze zaterdagochtend. Ongeveer een kwartiertje later stap ik voor een tweede keer deze ochtend uit bed. De rest van de dag doe ik mijn ding en kijk zo nu en dan in de bloempot. Geen teleurstelling maar wel ongeduld. Hoe lang moet ik nog wachten? Een dag later, op zondag, was het zaadje nog niet ontkiemt. De daarop volgende dagen hield ik de potgrond zeer frequent in de gaten maar de situatie bleef zoals het was op de eerste dag. Op de vijfde dag begon ik mij af te vragen of het zaadje nog wel zou ontkiemen. Was het misschien dood? Ik zag nog steeds niks van een ontkieming ofzo. Had ik het direct vanaf het begin anders moeten aanpakken? Twee dagen later, exact een week nadat ik het zaadje voor het eerst water had gegeven, was nog steeds alles bij hetzelfde. Ik begon mij zorgen maken. Kreeg het zaadje soms te weinig zonlicht? Was het een kwestie van teveel of te weinig water? Had het speciale bemesting nodig? Een tekort aan zonlicht leek mij uitgesloten aangezien het zaadje bedekt was met aarde. Voor een kort moment overwoog ik het zaadje voorzicht op te graven met een vork. Nee, dat was wel een erg idioot idee. Dit leidde tot een ander besef: ik was gefrustreerd geraakt. Misschien had ik er nooit aan moeten beginnen. Wie weet zit er niet eens een zaadje in de potgrond. Verdomme, ik had direct op de eerste dag die encyclopedie moeten raadplegen. Nu was het misschien wel te laat.

Christine Gerrits, Petra Schut vonden dit bericht leuk

De plant (deel 1)

yin_yang_seedIk heb een plant gekregen. Dat wil zeggen, een zaadje in een bloempot die kan uitbloeien tot een bijzondere plant. Tot nu toe leggen planten en bloemen in mijn huis altijd gauw het loodje. Maar ik ben vastbesloten om dit zaadje te laten ontkiemen. Volgens de botanische encyclopedie – die ik bij het zaadje cadeau heb gekregen, kan het zaadje uitgroeien tot een bijzondere en unieke plant. Toegegeven, de planten en bloemen die onder mijn hoede vallen gaan wel erg snel dood. Graag zou ik willen beweren dat ik altijd moeilijke planten en bloemen heb gehad. Maar de waarheid is dat ik vaak lijk te vergeten hoe belangrijk het verzorgen van een plant is. Om eerlijk te zijn, zodra ik een mooie knop van een bijzondere plant tot bloei zie komen, heb ik nogal de neiging om te denken dat ik zoiets moois niet verdien. Dan lijk ik liever te vergeten hoe ik er mee om hoor te gaan. Alle planten die ik heb gaan uiteindelijk dood, denk ik dan al gauw. Toch laat de schoonheid mij niet onberoerd en waag ik mij eraan te geven. Wat voelen die momenten fijn! De ruimte tussen mijn botten en het bovenste laagje van mijn huid, mijn bloed dat ik van top tot teen voel stromen, mijn bonzend hart en de zachte kleuren van de plant die keihard binnenkomen. Iets dergelijks ervaar ik door zoiets eenvoudigs als de groei van een plant! Desondanks blijf ik heen en weer schieten tussen momenten van overgave aan de schoonheid en toegeven aan de angst voor mislukking. Dit eindigt onmiddellijk zodra de werkelijkheid mijn passiviteit weet in te halen en ik mij besef dat de plant door mijn besluiteloosheid ondertussen half is vergaan door een gebrek aan water. Weer met beide benen op de grond, jammerend van verdriet en wentelend in een poel van schuld kom ik alsnog gehaast in actie met een bloemengieter vol water. Het laat zich raden dat de halfvergane plant hiermee zijn verdrinkingsdood tegemoet mag zien. Nee, planten hebben het niet alleen maar fijn bij mij. Daarnaast gebeurt het verzorgen nooit op vaste dagen; soms geef ik om de vier dagen water, soms eens per week of zelfs eens in de twee weken. Daar kunnen planten blijkbaar niet zo goed tegen. Planten en bloemen in mijn huis weten nooit waar ze aan toe zijn – tenminste, als ze tegen die tijd nog leven. Ik heb al tijden (geloof zo’n 4 jaar) geen enkele plant of bloem meer in huis gehad. Maar dit keer wil ik er een succes van maken. De elementaire behoeften van flora zijn duidelijk: aarde, zonlicht, koolstofdioxide en water. Het belangrijkste waar ik echt om moet denken is het geven van de juiste hoeveelheden water op vaste dagen. Ik pak de botanische encyclopedie erbij en zoek naar de naam van dit zaadje. Even later vind ik in de encyclopedie wat ik zoek. De botanisten zijn ijverig geweest: maar liefst 11 pagina’s zijn gewijd aan het zaadje dat ergens in de pot op het dressoir is gepoot. Er zijn ook een paar foto’s van de uiteindelijke plant. Ik moet toegeven, de uiteindelijke plant ziet er wel heel bijzonder en mooi uit. Wat me opvalt is dat ik op elke foto een andere plant zie. Toch schijnt het allemaal om dezelfde plantsoort te gaan. Het blijkt, lees ik in de encyclopedie, dat geen enkele plant van deze soort hetzelfde is. Iedere roos is ook anders, dat is logisch. Maar bij deze plantsoort schijnt de diversiteit wel behoorlijk extreem te zijn. Het komt er op neer, volgens de encyclopedie, dat je nooit kunt voorspellen hoe de plant eruit zal komen te zien. Iedere plant van deze zaad is echt uniek. Even later vind ik op de 11e bladzijde wat ik zocht. In een zwart omlijnde kader met daarboven een uitroepteken lees ik dat direct zonlicht en een teveel aan water de groei kan remmen. Laat dat nou net mijn valkuil zijn. Voor nu weet ik genoeg. Ik heb weinig zin om elf bladzijden over een zaadje door te nemen. In grote lijnen is het mij wel duidelijk: enige wat het zaadje nodig heeft is water (op vaste dagen!) en het vermijden van direct zonlicht. Ik klap de encyclopedie dicht en leg het dikke naslagwerk onderin mijn boekenkast. Ik trek het cellofaan eraf dat om de pot is gewikkeld. Daarna zet ik de pot voorzichtig op de dressoir naast de televisie. Ja, het is een mooie pot in de juiste kleur. De aarde in de pot lijkt me wel wat droog. Daar moet denk ik eerst nog een scheutje water overheen. Ik loop naar de keuken, pak een glas en draai de kraan open. Even later giet ik een beetje warm water (ik heb ooit ergens gelezen dat je nooit koud water moet gebruiken) in de pot. De rest van de avond lig ik op de bank naar een film te loeren en kijk ik af en toe naar de pot. Ik voel soms de behoefte om even in de pot te kijken, maar ik weet mij te beheersen. Zo snel gaat het niet. Misschien morgen.

Gritty Van Beilen-van Kalker, Anja Tolner, Petra Schut, Richard de Goede, Martijn Ridderbos, Diana Haaima vonden dit bericht leuk